(Alle credits en de rechten van de Wikipedia bron zijn van toepassing)
De moerasspirea (Filipendula ulmaria) is een plantensoort uit de rozenfamilie (Rosaceae).
Determinatie
Moerasspirea is een vaste, kruidachtige plant die een hoogte kan bereiken van 0,6–2 m. De stengel groeit rechtop. De bladeren zijn afgebroken (oneven)geveerd en hebben een groot topblaadje, dat handvormig gespleten is. Er zijn twee tot vijf paar blaadjes, die dubbel getand en eirond zijn. Aan de onderzijde zijn ze viltig behaard en grijsachtig. De bladeren aan de opvallend rode stengel staan verspreid en hebben aan de voet van de bladsteel twee steunblaadjes. De plant bloeit van juni tot in augustus en september. De bloeiwijze omvat een schermvormige tros. Ze heeft talrijke, roomkleurige, 0,4–1 cm brede bloemen met vijf kroonblaadjes, die sterk naar amandel geuren. De bloem bevat veel meeldraden, die ongeveer tweemaal zo lang zijn als de kroonblaadjes. De vruchtjes zijn spiraalachtig gewonden en ongeveer 2 mm groot.
Ecologie
De moerasspirea groeit vooral op vochtige plaatsen, zoals in ruigtes, nat grasland, slootkanten, moerasbossen en rietvelden.
Syntaxonomie
In de syntaxonomie staat moerasspirea binnen de ruigten te boek als transgrediërende kensoort voor de moerasspirea-orde, het moerasspirea-verbond en de associatie van moerasspirea en echte valeriaan.
Namen
De botanische naam "Filipendula" is een samenstelling van het Latijnse "filum" ('draad') en "pendulus" ('hangend'), verwijzend naar de verwante knolspirea ("Filipendula vulgaris"), wiens de verdikte wortelvezels aan dunne draden elkaar lijken te hangen. De soortaanduiding "ulmaria" betekent 'iepachtig' (van het Latijnse "Ulmus"), refererend naar de vorm en het generfde oppervlak van de deelblaadjes.
De Nederlandse naam "moerasspirea" combineert de voorkeursbiotoop van de plant (moerasachtig gebied) met de oude geslachtsnaam "Spirea", waartoe de soort oorspronkelijk werd gerekend.
De historische term medezoet is vrijwel uit de hedendaagse Nederlandse taal verdwenen maar is nog wel herkenbaar in verwante Germaanse talen.
Namen in andere talen
- Duits: Mädesüß ('Medezoet')
- Engels: Meadowsweet ('Weidezoet,' afgeleid van mead ('mede') en geherinterpreteerd als meadow ('weide'))
- Frans: Reine des prés ('Weidekoningin')
- Fries: Wyld geiteburd ('wilde geitenbaard')
Gebruik
Vroeger werd de plant gebruikt als middel tegen gal- en nierziekten, maar ook tegen jicht en zenuwpijn. De bladeren en bloemen werden gedroogd om thee van te trekken die bij koorts gegeven werd. De heilzame werking wordt toegeschreven aan verschillende aspirine-achtige verbindingen zoals isosalicine, dat in de bloemkoppen te vinden is.
Historische toepassing
Stuifmeelsporen en plantenresten tonen aan dat de moerasspirea al in de prehistorie een rol speelde bij begravingsrituelen. In Nederland is de plant aangetroffen in een Laat-Neolithisch Klokbekergraf te Hattemerbroek-Zuid waar moerasspireabloemen de bodem van het graf bedekten.
Na de Grote Volksverhuizing verspreidde deze tradities naar de Britse Eilanden, waar de plant te vinden is in graven uit de Bronstijd. Resten van de moerasspirea zijn ontdekt bij crematieresten van drie mensen en ten minste één dier bij een steengraf bij Fan Foel (Carmarthenshire). Vondsten zijn eveneens gedaan te Ashengrove (Fife) en in North Mains (Strathallan) en duiden mogelijk op het gebruik van de plan in gearomatiseerde mede, dan wel op het bijzetten van de plant als grafgift.
(Alle credits en de rechten van de Wikipedia bron zijn van toepassing)