(Alle credits en de rechten van de Wikipedia bron zijn van toepassing)
Het kleverig koraalzwammetje (Calocera viscosa) is een schimmel uit de familie Dacrymycetaceae. De soort vormt opvallende, geel tot oranjegele, koraalachtig vertakte vruchtlichamen met een taaie, gelatineuze consistentie. Ondanks de Nederlandse naam behoort hij niet tot de echte koraalzwammen, maar tot de Dacrymycetales, een orde van trilzwammen. De soort leeft saprotroof op dood hout van naaldbomen, vooral op sterk vermolmde stronken en stammen.
Kenmerken
Uiterlijke kenmerken
Het kleverig koraalzwammetje vormt rechtopstaande, meestal in groepen groeiende vruchtlichamen, die doorgaans enkele centimeters hoog worden en een hoogte van ongeveer 10 cm kunnen bereiken. Ze zijn aanvankelijk knotsvormig en ontwikkelen doorgaans herhaaldelijk gevorkte vertakkingen. De uiteinden zijn spits tot afgerond en kunnen soms kamvormig vertakt zijn. De mate van vertakking varieert; sommige exemplaren hebben slechts enkele takken, terwijl andere sterk vertakt zijn.
De kleur varieert van goudgeel tot oranjegeel. De basis is doorgaans bleker, soms bijna wit, en loopt uit in een wortelachtige bundel van schimmeldraden (hyfen) die diep in het hout kan doordringen. De oppervlakte is glad en bij vochtig weer kleverig tot slijmerig. Het vlees is stevig gelatineus, taai en elastisch. De vruchtlichamen kunnen worden gebogen zonder gemakkelijk te breken. Bij uitdroging worden ze harder en donkerder oranje tot oranjerood.
Er is geen duidelijk onderscheid tussen een afzonderlijke hoed en steel. Het hymenium (de sporenproducerende laag) bedekt het buitenoppervlak van de vertakkingen. Geur en smaak zijn niet opvallend.
Microscopische kenmerken
De sporen zijn glad, dunwandig, hyaliene (kleurloos) en ellipsoïde tot enigszins allantoïde (worstvormig). Ze meten doorgaans 8–12 × 3,5–5 µm. De sporen bevatten vaak twee oliedruppels en zijn inamyloïde. Aanvankelijk zijn ze ongedeeld, maar bij volledige rijping kan één septum (dwarswand) ontstaan. Rijpe sporen kunnen kiemen door de vorming van kleine secundaire sporen (conidiën) of kiembuizen.
De kleur van het sporenpoeder wordt in verschillende determinatiewerken uiteenlopend beschreven, van witachtig tot vuilgeel of oranjegeel.
De basidiën zijn langwerpig, cilindrisch tot enigszins knotsvormig en meten ongeveer 25–70 × 3–4 µm. Tijdens de ontwikkeling ontstaan aan de top twee lange, uiteenwijkende uitsteeksels (sterigmen), waarop de sporen worden gevormd. Hierdoor krijgen de basidiën de karakteristieke stemvorkvorm van de Dacrymycetales.
De hyfen van het vruchtvlees zijn ongeveer 2–4 µm breed, dunwandig, gesepteerd en soms vertakt. Ze liggen ingebed in een gelatineuze massa. Gespen ontbreken. Ook aan de basis van de basidiën zijn geen gespen aanwezig.
Chemische reacties
De chemische kenmerken van het kleverig koraalzwammetje zijn voornamelijk microscopisch beschreven.
- KOH (kaliumhydroxide): In een microscopisch preparaat met KOH blijven de sporen hyalien. De basidiën en jonge basidiën kunnen geel tot goudgeel gekleurd zijn. De hyfen van het vruchtvlees zijn kleurloos tot geelachtig. Dit betreft microscopische waarnemingen en geen aangetoonde macroscopische druppelreactie.
- Melzers reagens: De sporen zijn inamyloïd en vertonen geen blauwzwarte amyloïde verkleuring bij behandeling met een jodiumhoudend reagens.
De opvallende geel-oranje kleur van de vruchtlichamen hangt samen met de aanwezigheid van carotenoïde pigmenten. Bij chemisch onderzoek is onder andere bètacaroteen aangetoond in zowel de vruchtlichamen als het gekweekte mycelium. De aanwezigheid van deze verbinding is bevestigd met chromatografische en spectrometrische analysemethoden.
Voor de soort zijn in de geraadpleegde determinatiebronnen geen algemeen toegepaste, diagnostische macroscopische kleurreacties met bijvoorbeeld ijzersulfaat of guajak beschreven.
Gelijkende soorten
Het kleverig koraalzwammetje kan oppervlakkig lijken op geelgekleurde soorten uit de geslachten Ramaria en Clavulinopsis. Deze hebben echter doorgaans een minder gelatineuze en minder kleverige consistentie. Ook groeien veel van deze soorten op de bodem, terwijl het kleverig koraalzwammetje aan dood hout gebonden is.
Binnen het geslacht Calocera zijn vooral de volgende soorten vergelijkbaar:
- Het geel hoorntje (Calocera cornea) vormt veel kleinere, meestal nauwelijks vertakte vruchtlichamen, doorgaans ongeveer 10–15 mm hoog. Het groeit voornamelijk op dood loofhout, maar kan ook op naaldhout voorkomen. De rijpe sporen hebben geen of één septum.
- Het gaffelhoorntje (Calocera furcata) groeit eveneens op naaldhout, maar vormt veel kleinere vruchtlichamen, doorgaans met weinig vertakkingen. De rijpe sporen kunnen één tot drie septen bevatten. Vooral de sporenmaten en het aantal septen zijn bij microscopische determinatie van belang.
- De sikkelkoraalzwam (Clavulinopsis corniculata) kan eveneens geelgekleurde, vertakte vruchtlichamen vormen. Deze soort groeit doorgaans op de bodem tussen gras en mos, is niet kleverig en heeft geen stemvorkvormige basidiën.
De combinatie van relatief grote, herhaaldelijk vertakte, taai-gelatineuze vruchtlichamen en groei op dood naaldhout is doorgaans voldoende om het kleverig koraalzwammetje in het veld te herkennen.
Ecologie
Het kleverig koraalzwammetje leeft saprotroof en draagt door de afbraak van dood hout bij aan de kringloop van stoffen in bosecosystemen. De soort groeit voornamelijk op sterk vermolmde, vochtige stronken, liggende stammen en soms dikke takken van naaldbomen. Ook dode, ondergrondse wortels kunnen als substraat dienen.
In Nederland wordt de soort vooral aangetroffen op hout van dennen (Pinus) en sparren (Picea). Daarnaast zijn vondsten bekend van onder meer lork (Larix), douglasspar (Pseudotsuga) en jeneverbes (Juniperus). Hij groeit voornamelijk in naaldbossen en gemengde bossen op voedselarme zandgronden.
De vruchtlichamen verschijnen soms tussen mos, naalden of rechtstreeks uit de bosbodem. Door de wortelachtige hyfenbundels kunnen ze schijnbaar op enige afstand van een boomstronk groeien, terwijl het mycelium verbonden is met ondergronds dood hout.
De vruchtlichamen kunnen gedurende een groot deel van het jaar verschijnen, maar worden vooral in de herfst waargenomen.
Verspreiding
Het kleverig koraalzwammetje heeft een ruime verspreiding en komt voor in grote delen van Europa. De soort is onder andere bekend uit Groot-Brittannië en Ierland en is eveneens vastgesteld in Noord-Amerika en Azië.
In Nederland is het een algemene soort, vooral in gebieden met naaldbossen en gemengde bossen op zandgrond. Daarbuiten kan hij eveneens voorkomen wanneer geschikt dood naaldhout aanwezig is. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas geldt de soort als algemeen. Op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen van 2008 is hij ingedeeld in de categorie 'thans niet bedreigd'.
Taxonomie
De soort werd in 1794 door Christiaan Hendrik Persoon beschreven onder de naam Clavaria viscosa. Deze naam vormt het basioniem van de huidige wetenschappelijke naam. Volgens Index Fungorum en Species Fungorum werd de combinatie Calocera viscosa in 1823 gepubliceerd door Jean-Baptiste Bory de Saint-Vincent in het vierde deel van het Dictionnaire classique d'histoire naturelle.
In veel mycologische literatuur wordt de combinatie toegeschreven aan Elias Magnus Fries en gedateerd op 1827. Deze auteursvermelding wordt onder andere gehanteerd door de NDFF Verspreidingsatlas. Index Fungorum vermeldt Bory echter als auteur van de huidige combinatie en Fries als sanctionerende auteur.
Tot de gepubliceerde synoniemen behoren:
- Clavaria viscosa Pers. (1794)
- Merisma viscosum (Pers.) Spreng. (1827)
- Calocera flammea Wallr. (1833)
- Calocera cavarae Bres. (1896)
- Calocera viscosa var. cavarae (Bres.) McNabb (1965)
De geslachtsnaam Calocera is afgeleid van Griekse woorden voor 'mooi' en 'hoornachtig'. De soortaanduiding viscosa komt uit het Latijn en verwijst naar het kleverige oppervlak van de vruchtlichamen.
Foto's
(Alle credits en de rechten van de Wikipedia bron zijn van toepassing)